Juan Matus (Carlos Castaneda) TIEN: PRAKTIJKEN
TIEN
Praktijken
Hoewel ieder organisch levend wezen geconditioneerd wordt om op de eerste plaats de standaardwereld van de soort waar te nemen, hebben mensen het vermogen om andere versies van de werkelijkheid te beleven, die net zo echt, uniek, absoluut en overweldigend zijn als de standaardwereld. Het bestaan ervan is constant en onafhankelijk, maar om deze andere versies waar te nemen, moeten ze niet alleen begeerd worden, maar je moet ook voldoende vitaliteit hebben om er in te verblijven en erin te participeren. In de overtuiging dat een conditionering te corrigeren is, ontwikkelden de Tolteken een reeks praktijken die ontworpen zijn om hun vermogen om waar te nemen te herconditioneren.
Met andere woorden, de praktijken van de Tolteken zijn ontwikkeld om het verzamelpunt te manipuleren; het naar believen van positie te laten veranderen, zodat in de emanatievorm van de mens het contactpunt met de zee van beleving verplaatst. Door deze verplaatsting komen andere heelalemanaties dan die van de standaard waarneming op het verzamelpunt samen met binnenemanaties, waardoor de mogelijkheden van beleving van de mens anders gebruikt worden dan dit het geval is in de standaard waarneming. Eerder genegeerde emanatiebundels worden afgestemd en waargenomen en welke deze zijn is afhankelijk van de verplaatsting. Wanneer de verplaatsting een verschuiving is, zijn deze waarnemingen ofwel verschoven visies op de figuratieve versie van de werkelijkheid ofwel directe waarnemingen van de abstracte versie van de werkelijkheid. En wanneer de verplaatsting een beweging is, zijn het directe waarnemingen van compleet andere werelden, onbegrijpelijke, onvoorstelbare werelden zonder een spoor erin van iets dat binnen het betekenis systeem van de mensheid geinterpreteerd kan worden. Dan, door het verzamelpunt op zijn verplaatste positie vast te zetten, kan een ziener dat wat zich aandient nauwkeurig observeren en er een actieve participant in worden.
Alle praktijken van zieners, van de meest eenvoudige tot de meest verbazingwekkende, maken nergens anders gebruik van dan van de vermogens van het menselijke lichaam. Ik noem hier enkele praktijken die ontwikkeld zijn om het verzamelpunt los te maken van de standaardpositie, het te verplaatsen naar een veschoven of bewogen positie en het daar vast te zetten, zodat de mogelijkheden van beleving van de mens optimaal ontwikkeld en gebruikt kunnen worden: *waterstaren *krachtloop *ongewoon gedrag *klap van de nagual *innerlijke stilte *daalverschuiving *hallucinogene planten *toverijpraktijken *gedroom *recapitulatie.
De eerste set: de aarde en de donkere gebieden. Hun kennis van de aarde werd gebruikt om alles wat op de grond staat ofwel positief ofwel negatief te beinvloeden. Er waren bepaalde bewegingen, woorden, zalven, drankjes die werden toegepast op mensen, dieren, insecten, bomen, planten, rotsen, aarde. De tegenhanger van de aarde was wat de Tolteken kenden als de donkere gebieden. Deze praktijken hadden te maken met communicaties met anorganische wezens.
De tweede set: vuur en water. De kennis van vuur en water gebruikten ze ofwel om de standaardwereld anders waar te nemen ofwel een andere wereld waar te nemen. Ze verdeelden vuur in hitte en vlam, en ze verdeelden water in nattigheid en vloeibaarheid. Ze noemden hitte en nattigheid de mindere eigenschappen en ze beschouwden vlammen en vloeibaarheid als magische eigenschappen. Deze laatste werden eveneens gebruikt als een middel voor communicaties met anorganisch leven.
De derde set: het bovenstaande en het onderstaande, de vierde set: het luide en het stille, de vijfde set: het bewegende en het stationaire. De praktijken van de Tolteken waren ingewikkeld en de meeste zijn tegenwoordig zo goed als verdwenen. Dus ik noem deze drie sets even kort. De derde set waren praktijken die te maken hadden met het bovenstaande zoals wind, regen, wolken, bliksemschichten, donder, daglicht, de zon en het onderstaande zoals mist, water van ondergrondse bronnen, moerassen, aardbevingen, de nacht, maanlicht, de maan. De vierde set waren praktijken die te maken hadden met de manipulatie van geluid en stilte. En de vijfde set waren praktijken die te maken hadden met mysterieuze aspecten van beweging en bewegingloosheid.
Waterstaren is een voorbeeld van een praktijk van de derde set. Hierbij wordt een spiegelend voorwerp in een stromend of stilstaand water onderdgedompeld. Het voorwerp kan elk plat object zijn dat het vermogen heeft om beelden te reflecteren. Voor de Tolteken vergrootte het reflecterende oppervlak van een ondergedompeld glanzend voorwerp de werking van het water als een verbinding naar andere 'niveaus'. De nattigheid van water was voor hen iets dat alleen maar dempt of doorweekt, terwijl de vloeibaarheid van water stroomt naar wat zij de 'andere niveaus daaronder' noemden. De Tolteken telden zeven niveaus. Ik ben een ziener van de nieuwe cyclus, en daarom heb ik een andere visie. Mijn versie is dat je door in water te staren een bepaalde kwaliteit van je ogen gebruikt, waardoor je sneller in de juiste innerlijke staat komt om het onbekende waar te kunnen nemen. Maar dit betekent niet dat de praktijken van de Tolteken ongeldig zijn; hun interpretaties zijn niet de mijne, maar hun waarheden hadden praktische waarde voor hen. In het geval van de waterpraktijken waren ze de overtuiging toegedaan dat het mogelijk was om door de vloeibaarheid van water lichamelijk te worden getransporteerd. Ten eerste, in het standaard niveau langs de waterloop van een rivier in beide richtingen; hiervoor gebruikten ze stromend water. En ten tweede, zoals tijdens het waterstaren, vanuit het standaard niveau naar ergens tussen het standaard niveau en de zeven niveaus in de diepten daaronder; hiervoor gebruikten ze het water van waterpoelen. Ook gebruikten ze waterpoelen om een een-op-een ontmoeting te hebben met een levend wezen van wat ze het eerste niveau noemden. Een van hun ontdekkingen hield in dat via een waterlichaam de zekerste manier is om een van die anorganische wezens tegen te komen. De grootte van het waterlichaam doet er niet toe; een ondiepe rivier of een plasje dienen hetzelfde doel. De anorganische levensvorm komt om te ontdekken wat er aan de hand is als mensen roepen en die Tolteekse techniek is als een klop op hun deur. Voor de Tolteken diende het glanzende oppervlak op de bodem van het water als lokaas en als raam. Dus mensen en anorganische wezens ontmoeten elkaar bij zo'n raam. De Tolteken zouden hebben gezegd dat je het effect ondergaat van de kracht van het water en de kracht van het eerste niveau, plus de magnetische invloed van het wezen bij het raam. Zoals gezegd, ik heb een andere visie. Het over de diepten en niveaus hebben is bij wijze van spreken. Er zijn geen diepten of niveaus, er is alleen de omgang met beleving.
De klap van de nagual moet op het verzamelpunt worden gegeven, een precieze plek die van individu tot individu miniem verschilt. Daarom kan de klap alleen worden gegeven door een nagual die kan zien. Een niet-ziende nagual kan niet de precieze plek zien om op te slaan. En een ziener die geen nagual is, kan misschien wel op de precieze plek slaan, maar heeft niet de vitaliteit om de gloed van beleving te verschuiven.
Het waren de Tolteken die ontdekten dat het verzamelpunt van de mens zich niet in het organische lichaam bevindt, maar in de lichtuitstralende schil van de cocon. Omdat het verzamelpunt een intense helderheid heeft kan de nagual de plek zien en erop duwen. De duw creëert een deuk in de cocon en het wordt door de ontvanger gevoeld als een flinke klap op het lichaam. Er zijn twee typen deuken, de ene is een holte en de andere is een spleet; elk heeft een eigen effect. De holte is een tijdelijk kenmerk en veroorzaakt een tijdelijke verschuiving en de spleet wordt een diepgaand en permanent kenmerk van de cocon en veroorzaakt een permanente verschuiving. Een cocon van mensen van wie het gewaarzijn enkel bestaat uit introspectie verhardt, en zo'n cocon wordt meestal in zijn geheel beinvloed door de klap van de nagual. Soms is de cocon echter erg buigzaam en creëert de kleinste duw een komvormige deuk die in grootte varieert van een deukje tot een die een derde is van de totale cocon. Of het creëert een spleet die over de breedte van de ei-achtige vorm kan lopen, of over de lengte ervan, waardoor de cocon eruitziet alsof hij zich heeft opgerold. Sommige coconschillen keren, nadat ze zijn gedeukt, direct terug naar hun oorspronkelijke vorm. Andere blijven uren of zelfs dagen achtereen gedeukt, waarna ze alsnog hun ongedeukte vorm terugkrijgen. Bij weer anderen ontstaat een stevige deuk die een volgende klap van de nagual op een aangrenzend gebied vereist, om de oorspronkelijke vorm van de cocon te herstellen. En een paar van de schillen verliezen hun deuk nooit meer als ze die eenmaal hebben; ongeacht hoeveel klappen ze krijgen van een nagual, ze keren nooit meer terug naar hun ei-achtige vorm.
Wanneer de nagual het verzamelpunt duwt, belandt het op een andere plek ergens op de band van de mens. Het maakt niet uit waar, want waar het ook naar toe verschuift, het is altijd een niet eerder gebruikte positie. De grote test die zieners voor hun leerlingen ontwikkelden, is om het traject van verschillende posities dat hun verzamelpunt onder invloed van de nagual heeft afgelegd, op eigen kracht terug te volgen. Deze praktijk van het herwinnen van je totaliteit wordt recapitulatie genoemd en moet door de standaard waarneming worden uitgevoerd.
Het is misleidend om het over de band van de mens te hebben, want in feite is het eerder een schijf. De cocon van de mens lijkt op een transparante wittige ei-achtige bol, die verdeeld is in vier longitudinale secties, met op de lijn tussen het eerste en tweede deel een donkere schijf die in de bol is gestoken. De donkere schijf gaat van het oppervlak aan de ene kant naar het oppervlak aan de andere kant, helemaal door de wittige bol. Het verzamelpunt van de mens bevindt zich hoog op de schil van de cocon, zo'n driekwart van de afstand naar de bovenkant van de bol. Wanneer een nagual op dat punt van intense helderheid duwt, beweegt het verzamelpunt in de donkere schijf. Verschoven gewaarzijn ontstaat, wanneer de gloed van het verzamelpunt een aantal tot nu toe ongebruikte emanaties in de donkere schijf verlicht. Als je de gloed van het verzamelpunt in die schijf ziet verschuiven, krijg je het gevoel dat deze naar links verschuift op het oppervlak van de cocon. De transparantie van de lichtuitstralende bol wekt die indruk, maar in feite is elke verschuiving van het verzamelpunt in de diepte, in het midden van de bol langs de dikte van de band van de mens. De Tolteken hebben de verschuiving van het verzamelpunt gezien, maar niet dat het een verschuiving in de diepte was. Ze volgden hun zien en bedachten de uitdrukking 'verschuiving naar links'. En hoewel dit eveneens, net als de band van de mens, misleidend is, is dit nog steeds de naam die wij gebruiken. (HIER 2 verslagen van het effect van een klap van de nagual: 1. Carlos Castaneda kreeg een klap van de nagual Juan Matus en 2. Paramahansa Yogananda kreeg een klap van de goeroe Sri Yukteswar.)
De praktijk van innerlijke stilte werkt voor iedereen, maar de een heeft er meer aanleg voor dan de ander. Sommige beoefenaars hebben een paar minuten stilte nodig om het gewenste resultaat te bereiken, terwijl anderen misschien wel een paar uur nodig hebben. Het gewenste resultaat is wat de Tolteken het stoppen van de wereld noemden, het moment waarop alles om je heen ophoudt te zijn wat het standaard is. Dat is het moment waarop je overgaat op directe waarneming. Met andere woorden, het verzamelpunt gebruikt niet langer de emanaties voor afstemming die het in de standaardpositie gebruikt en bijgevolg heeft wat je waarneemt een totaal andere aard dan waaraan je in de standaardwereld gewend bent. Innerlijke stilte is de praktijk die leidt naar een opschorting van ieder oordeel, omdat de waarnemingen van gegevens die uit het onbekende deel van het universum voortkomen zich onttrekken aan het betekenis systeem van de mensheid.
Je kunt ook ook een spontane daalverschuiving hebben. Het verzamelpunt zet zich daar dan niet vast, en dat is maar goed ook, want het is wat zieners de positie van het monster noemen. Mijn mening is dat een daalverschuiving niet bevorderlijk is voor het streven van een ziener, hoewel het gemakkelijk is om te doen. Voor de Tolteken was het heel gebruikelijk om hun verzamelpunt te laten dalen. Dit maakte hen experts in het aannemen van dierlijke vormen. Ze kozen verschillende dieren als hun referentiepunt en noemden die dieren hun nagual. Door hun verzamelpunt naar specifieke posities te verschuiven, verworven ze de kenmerken van het dier van hun keuze, de kracht of wijsheid of behendigheid. Er zijn veel voorbeelden van dergelijke praktijken, zelfs onder zieners van onze tijd. Het relatieve gemak waarmee het verzamelpunt van de mens 'daalt', vormt een grote verleiding voor bepaalde zieners. Een daalverschuiving resulteert in een waarneming van een versie van de standaardwereld die beperkt en gedetailleerd is, zo gedetailleerd dat het een totaal andere wereld lijkt. Het is een betoverend beeld dat een grote aantrekkingskracht heeft, vooral voor die zieners die een avontuurlijke maar op de een of andere manier luie instelling hebben. De verandering van perspectief kan erg prettig zijn, er is minimale inspanning nodig en de resultaten zijn vaak verbluffend. Als een ziener wordt gedreven door snel resultaat, is er geen effectievere manoeuvre dan de daalverschuiving.
Een spontane daalverschuiving gebeurt periodiek bij elke ziener, maar naarmate het verzamelpunt permanenter verder naar links verschuift komen zulke verschuivingen steeds minder vaak voor. Elke keer dat een spontane daalverschuiving gebeurt, neemt de vitaliteit van een ziener die hem ondergaat af. Een spontane daalverschuiving gebeurt vaker bij vrouwen dan bij mannen, maar die kunnen meestal ook moeiteloos hun verzamelpunt weer uit die positie weghalen, terwijl dit voor mannen moeilijk kan zijn. En ook het verzamelpunt op elke positie vastzetten na een daalverschuiving gaat vrouwen meestal makkelijk af, terwijl mannen daar in de regel minder aanleg voor hebben.
Zoals ik zei levert een daalverschuiving een andere waarneming op, niet van een andere wereld, maar van onze eigen standaardwereld, bekeken met een andere blik. Bepaalde geografische gebieden helpen niet alleen bij een verschuiving van het verzamelpunt, maar selecteren ook specifieke richtingen voor die verschuiving. Bijvoorbeeld, de Sonora woestijn helpt het verzamelpunt om van zijn standaardpositie te dalen, naar de positie van het monster. Daarom zijn er in Sonora echte tovenaars, vooral vrouwen.
Een van deze praktijken noemden de Tolteken gedroom. Gedroom is een praktijk om de reikwijdte van wat waargenomen kan worden te vergroten. Het kan opgevat worden als een ‘poort naar oneindigheid’. Het is een sensatie; een proces in het lichaam; een beleving in de geest. Gedroom is gebaseerd op vijf observaties. Ten eerste: enkel de emanaties die direct door het verzamelpunt lopen kunnen gebundeld worden tot een coherente waarneming. Ten tweede: zodra het verzamelpunt naar een andere positie verplaatst, hoe klein de verplaatsing ook is, stromen er andere dan de standaard emanaties doorheen, die dan eveneens gebundeld worden tot een stabiele, coherente waarneming. Ten derde: het verzamelpunt verschuift in de loop van gewone dromen gemakkelijk automatisch naar een andere positie op het oppervlak of in het binnenste van de cocon. Ten vierde: het verzamelpunt kan bewegen naar posities buiten de cocon. En ten vijfde: het is mogelijk om een spontane verplaatsing van het verzamelpunt, tijdens een gewone droom in de slaap, vast te zetten.
De observatie aan het begin van de ontwikkeling van gedroom als praktijk, is dat in dromen het verzamelpunt spontaan een klein beetje naar links verschuift. Het verzamelpunt ontspant wanneer de mens slaapt, met als gevolg dat allerlei niet-standaard emanaties beginnen te gloeien. De Tolteken raakten gefascineerd door die observatie en begonnen met deze spontane verschuiving te werken. De greep op de spontane verschuiving die het verzamelpunt ondergaat in de slaap betekent dat je het verzamelpunt vastzet op de positie waar deze in de slaap naar toe verschuift. Bij gedroom is er geen manier om de verschuiving te sturen; het enige dat die verschuiving dicteert, is de mate van vitaliteit van de dromer.
De Tolteken hebben geprobeerd hun dromen te sturen, met als doel hun verzamelpunt diep naar de linkerkant te laten verschuiven. Maar ze ontdekten dat wanneer ze dit probeerden de spontane verschuiving verstoord werd en het verzamelpunt onmiddellijk terugkeerde naar zijn standaardpositie. Vanaf daar ontwikkelden de Tolteken hun kennis over het onderwerp verder; kennis die tot op vandaag een grote invloed heeft op wat ziener-dromers met gedroom doen.
Zieners die dromers zijn moeten een heel subtiel evenwicht vinden, want behalve dat dromen niet kunnen worden gestuurd door de inspanning van de ziener-dromer, mogen ze niet worden gestoord. En toch moet de verschuiving van het verzamelpunt onder controle komen van de ziener-dromer. Dit is een tegenstrijdigheid die niet kan worden gerationaliseerd, maar in de praktijk moet worden opgelost.
Nadat ze dromers hadden geobserveerd terwijl ze sliepen, kwamen de Tolteken tot de oplossing om dromen hun spontane loop te laten volgen. Ze hadden gezien dat in sommige dromen het verzamelpunt van de dromer aanzienlijk dieper naar de linkerkant verschuift dan in andere dromen. Deze observatie stelde hen voor de vraag of de inhoud van de droom het verzamelpunt naar een specifieke positie verschuift, of dat de verschuiving naar een specifieke positie de inhoud van de droom produceert. Ze concludeerden dat dit laatste het geval is en wel dat de verschuiving naar de linkerkant de droom produceert. Hoe verder de verschuiving, hoe bizarder de droom.
Dromen sturen is dus niet mogelijk en daarom dienen de oefeningen die zijn ontworpen om het verzamelpunt vast te houden op de positie waar het in de droom spontaan naartoe verschuift. Het is hier dat de ziener-dromer een subtiel evenwicht moet vinden. Het enige wat je kunt controleren is het vastzetten van het verzamelpunt.
Zieners van de nieuwe cyclus aarzelden in eerste instantie om gedroom te beoefenen. Ze geloofden dat gedroom, in plaats van te versterken, de vitaliteit van zoekers aantastte. Om de kwalijke effecten van gedroom te compenseren, ontwikkelden ze een gedragssysteem dat je de onberispelijke levensstijl, of onberispelijkheid, zou kunnen noemen. Met dat systeem verwerven zieners de vitaliteit die ze nodig hebben om de verschuiving van het verzamelpunt in gedroom te begeleiden. De overtuiging achter het systeem is dat een leven van onberispelijkheid onvermijdelijk leidt tot nuchterheid, en een conditie van nuchterheid leidt op zijn beurt tot een verschuiving van het verzamelpunt die zonder nadelen is.
Zieners van de nieuwe cyclus gaan ervan uit dat zoekers zich kunnen ontwikkelen tot ziener-dromer door een eigen weg te volgen. Omdat gedroom een spontane verschuiving van het verzamelpunt gebruikt, zou je niemand nodig moeten hebben om je te helpen. Wat je nodig hebt is nuchterheid die voortkomt uit onberispelijkheid in je dagelijks leven. Zonder nuchterheid zal de verschuiving chaotisch blijven, zoals iedere gewone droom chaotisch is.
Onberispelijkheid begint met een enkele handeling die volgehouden wordt. Als die handeling vaak genoeg wordt herhaald, resulteert dit in een open verbinding met 'intentie'. Intentie is de actieve kant van oneindigheid. Heb je een open verbinding met intentie dan zorgt oneindigheid voor je in alles wat je doet. Je kunt onbezorgd zijn, wat resulteert in innerlijke stilte, en innerlijke stilte geeft je de vitaliteit die nodig is voor het verzamelpunt om in gedroom naar voor jou geschikte posities te verschuiven. De ontwikkeling van controle komt nadat deze basis is voltooid en bestaat uit het systematisch handhaven van de droompositie door vast te houden aan de visie van de droom. Gestage oefening resulteert in een groot vermogen om met nieuwe dromen nieuwe droomposities vast te zetten, niet zozeer omdat je met oefening controle verkrijgt, maar omdat elke keer dat het vastzetten van een droom geoefend wordt je vitaliteit toeneemt. Voldoende vitaliteit zorgt er op zijn beurt voor dat het verzamelpunt verschuift naar droomposities waar dromen steeds ordelijker worden.
Zodra door nuchterheid de ordelijke droomposities steeds sterker worden, is de volgende stap om wakker te worden in elke droompositie. Deze manoeuvre, hoewel het eenvoudig klinkt, is een complexe aangelegenheid. Een onberispelijke ziener vertrouwd op intentie. Het gerichte gebruik van de intentie-impuls is wat, voor een onberispelijke ziener, een afstemming van de droompositie in stand houdt.
Waar het verzamelpunt in dromen ook naartoe verschuift, wordt de droompositie genoemd. De Tolteken werden zo bedreven in het vastzetten van hun droompositie dat ze in staat waren om wakker te worden, terwijl hun verzamelpunt daar verankerd bleef. Die wakkere droomaanwezigheid noemden ze het droomlichaam. Ze waren zo bedreven dat ze, elke keer dat ze wakker werden in een nieuwe droompositie, een tijdelijk nieuw droomlichaam creëerden.
Het vermogen van het droomlichaam is niet te onderschatten. Het is bijvoorbeeld gemakkelijk voor het droomlichaam om onafgebroken naar de emanaties te staren gedurende lange periodes, maar het is ook gemakkelijk voor het droomlichaam om uiteindelijk volledig door hen te worden verteerd. Ziener-dromers lossen dit probleem op door in teams te zien. Terwijl één ziener-dromer naar de emanaties staart, staan anderen klaar om het zien te beëindigen. Ze dromen samen. Het is heel goed mogelijk dat bij een groep ziener-dromers een afstemming gebeurt van dezelfde emanaties. En ook in dit geval zijn er geen bekende stappen, het gebeurt gewoon; er is geen techniek om te volgen. Bij het samen dromen, neemt iets in ons de leiding en we merken dat we plotseling dezelfde waarneming delen met andere dromers. Onze menselijke conditie zorgt ervoor dat we de gloed van beleving automatisch richten op dezelfde emanaties die andere mensen om ons heen gebruiken; we passen de positie van ons verzamelpunt aan, om zo te passen bij de anderen. We doen dat aan de rechterkant, in onze standaard waarneming, en we doen het ook aan de linkerkant, terwijl we samen dromen.
Het onderscheid tussen de Tolteken en de zieners van de nieuwe cyclus is dat de eerste een droomlichaam ontwikkelden dat min of meer een replica is van een aards lichaam, maar met meer fysieke kracht, en dat de tweede een droomlichaam zonder antropomorfe interpretatie prefereren. De Tolteken lieten daarom hun verzamelpunt langs de rechterrand van de band van de mens glijden. Hoe dieper ze het langs de rechterrand verschoven, hoe bizarder hun droomlichaam werd. Het droomlichaam van de Tolteken getuigt van dezelfde mentaliteit die hen er ook toe dreef om antropomorfe interpretaties te geven aan hun waarnemingen. De hedendaagse ziener-dromers verschuiven hun verzamelpunt langs het middengedeelte van de band van de mens. Als de verschuiving gering is, is de verandering van de ziener-dromer nauwelijks merkbaar. Maar is de verschuiving aanzienlijker dan wordt hun droomlichaam een lichtvlek. Zo'n abstract droomlichaam vinden wij bevorderlijk voor begrip en onderzoek.
Zoals ik eerder zei is het voor een zoeker om ziener te worden noodzakelijk dat deze het traject van de verschillende posities, dat het verzamelpunt onder invloed van iets of iemand van buitenaf heeft afgelegd, op eigen kracht terugvolgt. Deze activiteit heet het 'herwinnen van de totaliteit' en moet door de eerste aandacht worden gedaan. Iedere positie die het verzamelpunt onder invloed heeft ingenomen heeft namelijk een specifieke waarneming, die vergeten wordt zodra het verzamelpunt weer in zijn standaardpositie is teruggekeerd.
Zieners maken hun leerlingen in de eerste aandacht vertrouwd met basisbegrippen en basisprocedures en in de tweede aandacht geven ze hen de ervaring en de gedetailleerde uitleg. Zodra ze weer in de eerste aandacht verkeren herinneren leerlingen zich normaal gesproken deze uitleg niet, maar toch slaan ze die op de een of andere manier intact op in hun geheugen. Het herinneren van alles wat hen in de tweede aandacht overkomen is, is een van de moeilijkste en meest complexe traditionele taken op de weg van zoeker tot ziener. Zieners verklaren dat deze moeilijkheid o.a. het gevolg is van het feit dat elke keer dat iemand de tweede aandacht betreedt, het verzamelpunt zich op een andere positie bevindt. Herinneren dan is het verplaatsen van het verzamelpunt naar de exacte positie die het innam op het moment dat die toegangen tot de tweede aandacht plaatsvonden.
Zieners
hebben niet alleen een volledig en absoluut geheugen, maar herbeleven elke ervaring
die ze in de tweede aandacht hadden, door hun verzamelpunt terug te brengen
naar elk van die specifieke posities. Ze wijden een leven lang aan het
vervullen van deze taak van herinneren.
naar NEGEN (de dood) <
Labels: Juan Matus
