donderdag 25 september 2025

Juan Matus (Carlos Castaneda) VIJF: BELEVING

 VIJF

Beleving

Beleving is een gegeven kenmerk van alle levende wezens. Beleving is het vermogen het bestaan gewaar te zijn. Levend zijn staat gelijk aan beleving hebben; wat levend is heeft beleving en wat beleving heeft is levend. Heeft een wezen geen beleving, dan is het niet in staat tot waarneming. Waarneming en beleving zijn een onlosmakelijke functionele eenheid.

Zoals alles wat er is bestaan levende wezens uit emanaties. Levende wezens zijn minuscule lichtuitstralende bubbels. Bij organische levende wezens is de bubbel een cocon en bij anorganische levende wezens heeft de bubbel een ander karakter. Ongeacht de vorm is een bubbel een verpakking, die een minuscuul aantal emanaties omsluit. De niet omsloten emanaties zijn de heelalemanaties en de omsloten emanaties de binnenemanaties.

Mensen werden door de Tolteken afgebeeld als heldere vormen die lijken op lichtuitstralende eieren. Wanneer ik een mens zie, zie ik een lichtuitstralende vorm die zweeft. Ik heb de indruk dat de cocon van de mens door de tijd heen blijft veranderen. Alle zieners die ik ken, zien net als ik dat mensen meer op bollen lijken dan op eieren. Maar af en toe, en zonder een reden te weten, zien wij een individu van wie de cocon de vorm heeft van een ei. Ik veronderstel dat deze mensen meer verwant zijn aan mensen uit de oudheid.

In een verpakking is beleving te zien als een gloed. De emanatiebundel die de bundel van beleving is in de cocon van de mens is een bundel met een sterkere amberkleurige gloed dan de rest van de cocon. Het is een smalle verticale band aan de rechterkant van de ei-achtige vorm, zo'n tiende van het totale volume van de cocon. Deze emanatiebundel wordt de band van de mens genoemd. Onze lichtuitstralende bol is groter dan het menselijk lichaam. Hoog op de langwerpige vorm, bijna op de top ervan, op de schil van de cocon, is een ronde vlek met een intense gloed, ter grootte van een tennisbal. Deze vlek maakt deel uit van de bol en bevindt zich ter hoogte van de schouderbladen, op armlengte van de rug van een individu. De Tolteken noemden deze vlek het verzamelpunt. Het verzamelpunt stelt levende wezens in staat om waar te nemen. Alle levende wezens hebben een verzamelpunt. Van de relatief talrijke heelalemanaties die door de verpakking heengaan, gaat slechts een klein aantal direct door het verzamelpunt. Een extra gloed, iets groter dan het verzamelpunt, omringt het altijd, waardoor de lichtsterkte van de emanaties die door die vlek gaan, wordt versterkt. Deze extra gloed is wat wij de gloed van beleving noemen. De gloed van beleving is te zien op het oppervlak van de verpakking van alle levende wezens en wordt gekarakteriseerd door de specifieke emanaties die een specifiek levend wezen in de verpakking heeft. Zo wordt de gloed van beleving van de mens bepaald door het specifieke plukje emanaties die zijn omhuld door de cocon van de mens. En het is dit specifieke plukje waardoor dit specifieke organische levend wezen een mens is. Nadat het gewaarzijn zich bij de mens ontwikkelt, krijgt de gloed diepte. Dit betekent dat de gloed van beleving van de schil van de cocon verschuift naar bepaalde emanaties in de cocon.

Wanneer ik het heb over iets 'zien', heb ik het altijd over "het lijkt op". Alles wat een ziener ziet is zo uniek dat er geen andere manier is om erover te praten dan door het te vergelijken met iets dat in de standaardwereld herkenbaar is. Het is moeilijk om met niet-zieners te praten over het verzamelpunt en de gloed van beleving die het omringt. Zieners beschrijven ze als helderheid, maar het kan geen helderheid zijn, omdat wij ze zonder onze ogen zien. We moeten het verschil echter invullen en we zeggen dat het verzamelpunt een lichtvlek is en dat er omheen een gloed is.

De Tolteken zagen hoe de talloze lichtuitstralende draden die door het universum gaan gerangschikt zijn in bundels, en dat deze emanatiebundels de dragers zijn van de constante eigenschappen van het universum. Ze zagen de vitale kant van oneindigheid en noemde deze de zee van beleving. Alle emanaties van de acht emanatiebanden die levende wezens voortbrengen hebben beleving. De gloed van beleving van de heelalemanaties maakt de gloed van beleving van de binnenemanaties helderder. De helderheid van buiten trekt als het ware de helderheid van binnen aan en welke emanties hierbij betrokken zijn is bepalend voor welke afstemming gebeurt en bijgevolg voor wat elk wezen waarneemt.

De heelalemanaties oefenen een permanente druk uit op de binnenemanaties. Op het moment dat de druk van de heelalemanaties op de binnenemanaties verhevigt, en daarmee hun beweging tot het minimum reduceert, verkeert het levende wezen in een staat van gewaarzijn. Gewaarzijn komt altijd van buitenaf. De werking van de heelalemanaties is om druk uit te oefenen op wat zich in de verpakking bevindt en de werking van beleving is om de heelalemanaties dan te laten samensmelten met de binnenemanaties. Anders gezegd: de druk van de heelalemanaties is de actie van buitenaf, de afstemming die volgt is de reactie van binnenuit en wat het wezen waarneemt is het effect.

Afstemming is het proces waarin bepaalde binnenemanaties afstemmen op overeenkomende heelalemanaties, waardoor waarneming tot stand komt. Wat wordt waargenomen zijn de emanaties die door het verzamelpunt geselecteerd worden voor afstemming. Dát wij waarnemen, wordt mogelijk gemaakt door de aanwezigheid van beleving in onze cocon. Wát wij waarnemen, hangt af van de positie van waaruit het verzamelpunt emanaties selecteert voor afstemming. Onze zintuigen nemen waar zoals ze dat doen, omdat onze beleving ze daartoe aanzet. Wat in de standaardwereld de zintuigen genoemd worden zijn graden van beleving. De standaard manier waarop wij met de standaardwereld omgaan, erin leven, is het resultaat van ons betekenis systeem waarmee ieder van ons is uitgerust. Alle bestaande organismes hebben een betekenis systeem dat hen in staat stelt om in hun specifieke omgeving te functioneren.

Het bestaan van de emanaties werd de basis van de praktijken van de Tolteken en daarmee van onze traditie. Iemand die niet in staat is de emanaties direct waar te nemen verwerkt wat waargenomen wordt door dit in een kader te passen. Dit kader is het sociale deel van de waarneming. Door dit kader wordt de reikwijdte van wat waargenomen kan worden beperkt, omdat inherent aan het bestaan ervan het geloof is dat het kader, waarin de waarneming gepast wordt, alles is wat bestaat. Door hun discipline en training verwerven zieners het vermogen om het abstracte direct waar te nemen. Dit doen ze door het sociale deel van de waarneming te onderkennen en af te scheiden. Ik ben ervan overtuigd dat de mensheid, om anno nu te overleven, zijn waarneming zal moeten veranderen aan de sociale basis.

Alle levende wezens, de mens incluis, gebruiken emanaties om hun waarneembare wereld te construeren. Om de waarneming van onze standaardwereld scherp te stellen, worden bepaalde voorkeuremanaties afgestemd die geselecteerd zijn uit de band van de mens. Zieners noemen de voorkeuremanaties aan de rechterkant van de cocon de beleving van de rechterkant, de standaard beleving, de eerste aandacht, of het bekende. De voorkeuremanaties vormen een groot deel van de band van de mens, maar zijn slechts een klein deel van het totale aantal emanaties die aanwezig zijn in de cocon. De grote hoeveelheid emanaties die geen deel uitmaken van de band van de mens, en die nooit standaard worden afgestemd, blijven steeds sluimerend beschikbaar om afgestemd te worden. Zieners noemen ze de beleving van de linkerkant, de verplaatste beleving, de tweede aandacht, of het onbekende. De afstemming van deze sluimerende emanaties is 'zien'.

In de loop van je groei, in je jongste jaren, vestigt de gloed van beleving zich op een specifieke positie in de band van de mens. Dit gebeurt doordat een klein aantal emanaties keer op keer worden afgestemd. Hoe vaker deze bepaalde emanaties afgestemd worden, hoe stabieler de waarneming wordt in de rechterkant met uitsluiting van de linkerkant.

De positie waar het verzamelpunt zich bevindt in de cocon is geen permanent kenmerk. Het verzamelpunt wordt op een specifieke positie gevestigd door gewoonte. Baby's hebben om te beginnen geen vast verzamelpunt. Hun binnenemanaties zijn in een staat van grote beroering en het verzamelpunt verschuift overal in de band van de mens. Daardoor hebben kinderen een gemakkelijke omgang met binnenemanaties die later genegeerd zullen worden. Een feit is dat veel kinderen zien. Dan, naarmate het ouder wordt, wordt door middel van gewoontes het verzamelpunt van het kind stabieler. Tot het vastgezet wordt in een standaardpositie.

Ook van andere organismen is het verzamelpunt getraind. Elk pasgeboren organisme wordt op de een of andere manier getraind. Hoe precies begrijpen we niet echt, maar zieners zien dat pasgeborenen worden overgehaald om te doen wat hun soort doet. Dus net als bij menselijke baby's verschuift het verzamelpunt van andere pasgeboren organische wezens alle kanten op, voordat het door de aanwezigheid van volwassenen in één positie stabiel wordt.

Het is de menselijke conditie die ervoor zorgt dat je de gloed van beleving automatisch richt op dezelfde emanaties die de mensen om je heen gebruiken voor afstemming; je past de positie van je verzamelpunt aan, om je aan te sluiten bij de anderen om je heen. Mensen doen dat aan de rechterkant, in onze standaard waarneming, en we doen het ook aan de linkerkant, terwijl we bijvoorbeeld samen 'gedroom' beoefenen.

De Adelaar schenkt niet alleen beleving aan wezens die een organisme hebben, maar ook aan wezens die geen organisme hebben. Het hele universum is samengesteld uit tweeling-aanwezigheden, die tegelijkertijd tegengesteld en complementair aan elkaar zijn. Zo is ook onze bekende wereld een tweelingwereld. De tegengestelde en complementaire wereld is er een die wordt bevolkt door anorganische wezens, wezens dus die levend zijn en beleving hebben maar geen organisme.  De Tolteken dachten niet in termen van ruimte en tijd. Zij dachten uitsluitend in termen van beleving. De mate van beleving van organische wezens en de mate van beleving van anorganische wezens is dusdanig verschillend dat beiden kunnen coëxisteren met minimale interferentie. Zieners nemen de anorganische wezens naar believen waar. Niet-zieners nemen ze ook waar, maar het is zeldzaam dat ze zich dit realiseren. Wanneer tijd en ruimte je enige referenties zijn, merk je iets uitzonderlijks alleen op als het uitzonderlijk is in termen van tijdstip en lokatie.

De Tolteken maakten eindeloze classificaties van de verschillende levensvormen. De anorganische wezens die onze tweelingwereld bevolken, worden door de zieners van mijn afstammingslijn als onze verwanten beschouwd. Deze anorganische wezens communiceren onophoudelijk met ons, maar zoals ik al zei, de meeste niet-zoekers hebben weinig of geen gewaarzijn van deze communicatie. Andere vertrouwde anorganische wezens zijn de verkenners, en hiermee bedoelden ze anorganische wezens die een beleving hebben die, als ik het probeer te benoemen, scherper en sneller is dan die van mensen. De Tolteken hebben generaties lang hun classificatieschema's gepolijst, en hun conclusies waren dat bepaalde typen anorganische wezens uit de categorie verkenners eveneens verwant zijn aan de mens. Ze kunnen verbindingen aangaan en een relatie met mensen opbouwen. De Tolteken noemden dit soort anorganische wezens de bondgenoten.

Anorganische wezens van overal uit het universum zijn voortdurend op aarde aanwezig zonder dat veel niet-zieners ze ooit opmerken. Ik heb het nu over anorganische wezens, die behoren tot de andere werelden die bestaan naast onze bekende wereld en onze tweelingwereld. De Tolteken hadden ook voortdurend waarnemingen van deze wezens met beleving. Levend zijn is beleving hebben. Ik denk dat als leven gemeten kan worden aan de intensiteit en de duur van beleving, het juist is om te zeggen dat er anorganische wezens zijn die 'levender' zijn dan ik.

De Tolteken waren uiterst vaardig in het kunnen omgaan met beleving. Ze zagen als eersten dat beleving een gloed is in de verpakking van levende wezens. De benaming 'de gloed van beleving' komt van hun. Zoals ik zei, is bij de mens beleving een gloed van amberkleurige helderheid die intenser is dan de rest van de cocon en die als een smalle, verticale band aan de uiterste rechterkant over de gehele lengte van de cocon loopt. Een van de trucs van de Tolteken was om die gloed te verschuiven, om hem te laten verspreiden van zijn oorspronkelijke positie op de schil van de cocon naar binnen over de breedte.

Ik noemde ook eerder, dat de gloed van beleving in de mens verschillende kleuren heeft. Maar eigenlijk zijn het geen kleuren, maar varianten van amber. De amberkleurige bundel van beleving heeft talloze subtiele varianten, die altijd verschillen in de mate van beleving aangeven. Roze en lichtgroene amber zijn de meest voorkomende varianten. Blauwe amber is ongebruikelijker, maar zuivere amber is veruit het zeldzaamst. De hoeveelheid vitaliteit die iemand opslaat, bepaalt de variant. Veel zoekers zijn begonnen met de gewone roze variant en zijn geëindigd met de zuiverste van alle ambervarianten.

naar VIER (levende wezens) < 

> naar ZES (afstemming)

Labels:

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage