donderdag 25 september 2025

Juan Matus (Carlos Castaneda) NEGEN: DE DOOD

 NEGEN

De dood

De tuimelaar is een van de fenomenen die direct voortkomen uit de emanaties. Het is een actieve kant van oneindigheid die een ononderbroken invloed uitoefent in het hele universum. De tuimelaar speelt een rol in alles wat betrekking heeft op leven en dood. De tuimelaar is het middel waarmee de Adelaar leven en beleving verdeelt en de tuimelaar zorgt ervoor dat alle levende wezens sterven. Je kunt je de tuimelaar voorstellen als een lijn van iriserende ringen, of vuurballen, die onophoudelijk op levende wezens afrollen. De tuimelaar is prachtig. Ik raad aan dat je je ervoor openstelt, er vrienden mee wordt. Er vertrouwd mee raakt door ermee om te gaan. Een verschuiving van het verzamelpunt is alles wat nodig is voor een ontmoeting met de tuimelaar. Als een ontmoeting met de tuimelaar het resultaat is van een onberispelijk gebaar dan geeft zij vitaliteit.

Anders is dit, wanneer de ontmoeting het gevolg is van een spontane verschuiving van het verzamelpunt, bijvoorbeeld door fysieke vermoeidheid, emotionele uitputting, angst, ziekte of gewoon iets kleins zoals dronkenschap. Wanneer in zo'n situatie het verzamelpunt spontaan verschuift, scheurt de tuimelaar de cocon. Als het om een kleine verschuiving gaat, is de scheur ook klein. De cocon herstelt snel en er kunnen bijvoorbeeld kleurvlekken in je zicht verschijnen. Als de verschuiving aanzienlijk is, is de scheur navenant en duurt het langer voordat de cocon herstelt, zoals in het geval van zoekers die hallucinogene planten gebruiken om een verschuiving teweeg te brengen, of niet-zoekers die drugs gebruiken en niet gericht hetzelfde doen. In deze gevallen ervaar je bijvoorbeeld een verdoving, heb je het koud, of kun je moeite hebben met praten. In gevallen waarin het verzamelpunt drastisch verschuift vanwege bijvoorbeeld een ernstige ziekte, veroorzaakt de tuimelaar een scheur over de lengte van de cocon; de cocon stort in, krult zich op en je sterft.

In de cocon ter hoogte van de navel heeft de mens een kloof. De kloof lijkt op een deuk, in de verder gladde cocon. De dood komt naar ons toe via de kloof. Daar is waar de tuimelaar ons onophoudelijk raakt en waar de cocon kan barsten. Iedere cocon is een verpakking die de werking van de tuimelaar maar zo lang kan weerstaan. Wanneer de tuimelaar zwakte vindt in de kloof scheurt ze deze open en laat ze, zonder er ooit in te komen, de cocon instorten.

De vitaliteit die in onze sluimerende binnenemanaties is opgesloten, heeft een enorm potentieel. Je kunt dit potentieel vaag inschatten, als je bedenkt dat de vitaliteit die betrokken is bij het waarnemen en handelen in de standaardwereld een product is van de afstemimpuls van nauwelijks een tiende van de emanaties in de cocon van de mens. Wat er gebeurt op het moment van de dood is dat dat hele potentieel in één keer vrijkomt. Het organisme wordt overspoeld door de onvoorstelbare impuls van al de emanaties die plotseling worden afgestemd, nadat ze een leven lang sluimerend zijn geweest. Er is geen andere uitlaatklep voor zo'n enorme impuls dan ontsnappen door de opening in de kloof.

Elk levend wezen heeft een kloof. Als het er geen had, zou het niet sterven. De kloven zijn echter verschillend in grootte en vorm. De kloof van de mens is een komvormige depressie ter grootte van een vuist, een fragiele kwetsbare vorm. De kloven van andere organische wezens lijken erg op die van de mens; sommige zijn sterker en andere zijn zwakker. De kloof van anorganische wezens echter is heel anders. Die is meer als een lange draad, een haar van licht. Deze draadvorm is veel minder kwetsbaar dan een komvorm en bijgevolg zijn anorganische wezens veel duurzamer dan organische wezens.

Er zijn twee verschillende aspecten van de tuimelaar. Behalve een tuimelend aspect is er een circulair aspect. Het tuimelende aspect heeft uitsluitend betrekking op afbraak en dood, en het circulaire aspect is wat beleving en leven in stand houdt. Zieners zien het verschil tussen het tuimelende en het circulaire aspect. Wij zien dat beide eigenschappen samensmelten, maar niet hetzelfde zijn. Het circulaire aspect komt net voor het tuimelende aspect naar je toe; ze liggen zo dicht bij elkaar dat het moeilijk kan zijn ze uit elkaar te houden. De reden dat zij het circulaire aspect wordt genoemd, is dat zij in ringen komt als draadachtige hoepels van irisatie. En net als het tuimelende aspect, raakt zij alle levende wezens onophoudelijk.

Uit wat ik vuurballen heb genoemd komt zo'n iriserende hoepel die precies zo groot is als levende wezens, of het nu mensen, bomen, microben of anorganische wezens zijn. Maar net zomin als er vuurballen zijn, zijn er hoepels. Er is alleen een circulaire hoedanigheid die zieners het gevoel van ringen geeft. En er zijn ook geen verschillende maten. Het is één ondeelbaar fenomeen dat past bij alle levende wezens, organische en anorganische.

De balans van de twee aspecten in elk levend wezen is een zeer delicate. Als een individu op een bepaald moment voelt dat de tuimelende werking harder aankomt dan de circulaire, betekent dit dat de balans verstoord is; de tuimelende werking slaat vanaf dat moment steeds harder in, totdat zij de kloof open scheurt en het wezen sterft.

De enige manier om zicht te krijgen op je leven, is door te accepteren dat je een wezen bent dat zal sterven. Deze acceptatie is de voorwaarde van een zinvolle verbondenheid met hoe je leeft en met de werkelijkheid waarin je leeft. Je moet die acceptatie belichamen en helemaal doorleven. Zieners door de eeuwen heen hebben gezegd dat de realisatie van het feit van onze dood de meest nuchtere visie op het leven oplevert. De dood is je metgezel, altijd aan je linkerzijde, een armlengte achter je. Ik beschouw de dood als een wijze raadgever.

Zieners aanvaarden hun lot en schatten eerlijk in wat hen te wachten staat. Het lot van alle levende wezens wordt geregeerd door de Adelaar, of anders gezegd, wordt bepaald door oneindigheid. Je lot is onveranderlijk. De uitdaging is hoe ver je kunt gaan in de ontwikkeling van je beleving en hoe onberispelijk je kunt zijn binnen de grenzen die je gegeven zijn. Als nederig mens weet ik dat ik de plannen van oneindigheid niet kan veranderen. Maar als ziener weet ik dat ik na een leven van onberispelijkheid de dood een moment kan vastzetten, een moment waarin ik de intense vreugde zal beleven van totale vrijheid. Op het moment van sterven wordt het lichaam in zijn geheel verlicht met kennis. Wij zeggen dat oversteken naar vrijheid een gunst is die de dood verleent aan hen die kunnen beschikken over hun onvervreemdbare individualiteit.

Voor mij is de hoedanigheid die in vage standaardtermen het 'leven na de dood' genoemd wordt een gekende werkelijkheid. Oversteken naar vrijheid betekent niet een eeuwig leven zoals eeuwigheid in de standaardwereld wordt begrepen. Het betekent dat zieners over de grens van de dood hun beleving behouden.

Voor de meeste mensen betekent de dood het einde van hun beleving. Zoals de Tolteken het formuleerden: de beleving zweeft rechtstreeks in de snavel van de Adelaar. De zieners van de nieuwe cyclus zeggen dat de beleving wordt opgezogen in de zee van beleving. De individuele beleving, geladen met levenservaringen, breekt los van de cocon en stroomt uit in de zee van beleving. Van hen die een leven van onberispelijkheid hebben geleefd echter, neemt de zee van beleving hun beleving in de vorm van hun gewaarzijn, maar raakt hun vitaliteit niet aan. Dit is de waarheid over de zienersdood, een waarheid over de werking van oneindigheid. Een leven van onberispelijkheid is de voorbereiding voor een dood waarin je je vitaliteit behoudt en je alleen je totaal gerealiseerde gewaarzijn opgeeft. Totaal gerealiseerd gewaarzijn is het product van een leven van onberispelijkheid.

Voor een ziener als ik is de dood een verenigende factor. In plaats van het organisme te desintegreren, verenigt de dood de beleving in één enkele eenheid. Deze dood is niet voor ieder mens relevant en functioneel. Wat er met zieners gebeurt als de zienersdood de hunne is, is dat ze veranderen in anorganische wezens. En als anorganische wezens beginnen ze aan wat de Tolteken de definitieve reis noemden. Oneindigheid wordt hun rijk van actie. Hoewel anorganische wezens veel duurzamer dan zijn organische wezens, vertelt mijn nuchterheid als ziener mij dat de beleving zal eindigen, op de manier waarop de beleving van anorganische wezens eindigt, maar ik heb hier geen kennis van uit de eerste hand. De Tolteken hebben ons laten weten dat beleving van dit type anorganische wezens blijft voortduren zolang de aarde leeft.

Mijn omgang met de kennis van mijn traditie is de voorbereiding op het aangaan van de definitieve reis van de ziener. Het is door hun onberispelijkheid en vastberadenheid tijdens hun leven dat zieners in staat zijn om hun individuele beleving na de dood te behouden. Voor ons is wat er daarna komt een gekende werkelijkheid die gevuld is met praktische zaken die, hoewel van een andere orde dan de praktische zaken van het aardse standaardleven, een functionele bruikbaarheid hebben.

De dood als een daad van vereniging is een daad die ons hele organisme gebruikt. Er resteert wanneer de vereniging plaatsvindt geen lijk en er is dus ook geen ontbinding. Ons lichaam wordt in zijn geheel omgezet in trillingen die beleving hebben. De grenzen die door het organisme worden gesteld, grenzen die door de dood worden doorbroken, functioneren nog steeds, maar ze zijn niet langer zichtbaar voor de standaard waarneming. Zieners van de nieuwe cyclus zoals ik gebruiken dus hun greep op beleving om vrijheid te verwerven. Totale vrijheid staat gelijk aan totaal gerealiseerd gewaarzijn. Alle amberkleurige emanaties van beleving worden tegelijk afgestemd. Daar streef ik naar. Er is niets dat te vergelijken is met de gloed die geproduceerd wordt door een toestand van totaal gerealiseerd gewaarzijn. Het is als een gloeiende uitbarsting in de hele cocon. Het is een explosie van licht van zo'n omvang dat de grenzen van de schil van de cocon diffuus worden en de binnenemanaties uitstrekken voorbij alles wat voorstelbaar is. En in totaal gerealiseerd gewaarzijn versmelten ze met de heelalemanaties en glijden ze het universum in.

Er komt voor ieder levend wezen het moment van vertrek. Het is een interne kennis dit moment te herkennen. Tijdens mijn leven als jonge zoeker heb ik mijn verzamelpunt talloze keren laten verschuiven met de hulp en op de kracht van anderen. Veel van de kennis, opgedaan in het onbekende, wordt vergeten zodra het verzamelpunt terugkeert naar een inmiddels bekende positie. De taak van een onberispelijke ziener is om later op eigen kracht al die emanaties opnieuw af te stemmen. En ten volle gewaar te zijn van iedere gedane waarneming in al die verschillende afstemmingen. Dit is de voorbereiding voor de zienersdood wanneer alle amberkleurige emanaties in de cocon tegelijkertijd afgestemd worden op het moment van vertrek, het moment dat overgaat in de aanvang van de definitieve reis.

De zieners van de nieuwe cyclus ontdekten dat als het verzamelpunt voortdurend naar de grenzen van het onbekende wordt verplaatst, maar wordt teruggebracht naar een positie aan de grens van het bekende, het zich dan, wanneer het op het moment van vertrek plotseling wordt losgelaten, als bliksem door de hele cocon beweegt. Hierbij worden alle binnenemanaties in één keer afgestemd. De ziener licht op met de impuls van 'wil', die door een leven van onberispelijkheid is omgezet in de impuls van 'intentie'. Het moment van mijn vertrek is het moment van de afstemming van al mijn amberkleurige emanaties en ik zal in een flits voor de standaardwereld verdwenen zijn. Totale vrijheid is totaal gerealiseerd gewaarzijn.

naar ACHT (het supplement) < 

> naar TIEN (praktijken)

Labels:

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage